Stedelijke Initiatieven

jim / City Mine(d)
54 min readJan 17, 2021

Inleiding

In het najaar van 2013 deed City Mine(d) samen met de Universiteit Gent in opdracht van het Kenniscentrum voor Vlaamse Steden (KCVS) een voor-onderzoek naar Stedelijke Coalities. Het onderzoek kaderde in een bredere studie waarmee het Kenniscentrum inzichten probeerde te krijgen in stedelijke transitie en transformatie. Transitie gaat volgens het KCVS over “diepgaande wijzigingen in de systemen die de maatschappelijke ontwikkeling beheersen, zoals het energiesysteem, het mobiliteits-systeem, het voedselsysteem, het systeem rond wonen en bouwen, etc.” Het doel van de voor-studie was een licht werpen op de “verschillende maatschappelijke actoren die samen concrete maatschappelijke vraagstukken aanpakken”. City Mine(d), dat zichzelf platform voor stedelijke initiatieven noemt, werd betrokken in dit onderzoek omdat het zelf reeds meer dan 15 jaar ervaring heeft met het initiëren en organiseren van soortgelijke coalities . Bovendien was City Mine(d) geïnteresseerd omdat het in de samenwerkingen tussen overheid en burger-initiatieven een manier ziet om stedelijk beleid meer democratisch en meer inclusief te maken.

De invalshoek van waaruit City Mine(d) het soort stedelijke praktijken bekijkt dat onderwerp vormde van de voor-studie, verschilt echter op meerdere vlakken van de ambtelijke of bestuurswetenschappelijke benadering waarvoor werd gekozen in de voor-studie. Om ook het terrein-perspectief aan bod te laten komen, publiceert City Mine(d) naast de voor-studie ook graag bevindingen en aanbevelingen van initiatiefnemers zelf. Sommige ervan zijn letterlijk terug te vinden in de voor-studie zoals die werd overgemaakt aan het KCVS, andere zijn hertaald om terrein-ervaringen bruikbaar te maken in de context van de lezer.

Naar aanleiding van het onderzoek sprak City Mine(d) met initiatiefnemers in Barcelona, Brussel, Londen, Gent, Rotterdam, Rouen, Sint-Niklaas en Turnhout over hun initiatief en relatie met de overheid. Hoewel het slechts om een voor-onderzoek ging, waren de gesprekken aanleiding voor een reeks vragen en bedenkingen. Sommige daarvan zijn relevant voor beleidsmakers in steden, anderen kunnen initiatiefnemers interesseren. De publicatie richt zich daarom ook tot beiden.

Deze publicatie

I. beschrijft een breed veld van stedelijke initiatieven

II. geeft het woord aan enkele initiatiefnemers

III. beschrijft een workshop-formule die initiatiefnemers en overheden kan toelaten om te ontdekken wat ze aan mekaar kunnen hebben.

De bedoeling van de publicatie is om een visie die City Mine(d) samen met vele andere initiatiefnemers de voorbije 2 decennia heeft ontwikkeld te verspreiden, en daardoor confrontatie met andere visies mogelijk te maken. Het probeert een voorzet te zijn of een aanleiding tot een discussie over praktijken, over de stad, en over de mogelijke rol van burger-initiatief in de stad.

I. Stedelijke Initiatieven

Deze publicatie gaat over de projecten die individuen en groepen opstarten zonder dat ze daarvoor van hogerhand opdracht gekregen hebben. De initiatiefnemers doen dit omdat ze de projecten nodig vinden om de stad of de buurt leefbaarder te maken, om zich artistiek uit te drukken, uit nieuwsgierigheid, of om een politiek statement te maken. De projecten bestaan uit stadstuintjes, kunst op publieke plaatsen van theater en filmvoorstellingen tot design en architectuur, economische projecten rond ruilen van goederen, diensten of vaardigheden, het voorzien van maatschappelijke diensten, politieke projecten die een thema op de agenda willen plaatsen of bespreken, of sociale projecten die plaats maken voor achtergestelde groepen. Wat ze gemeen hebben is het feit dat ze “van onder uit” komen en ontstaan uit het “eigen initiatief” van stedelingen.

VOORBEELD 1: Fondation Legumen

Op zaterdag 30 maart 1996 hadden een aantal zelf-verklaarde stadsliefhebbers afspraak in café Kaya tussen de Brusselse Jacqmainlaan en Adolphe Maxlaan. Plek waar geen van hen ooit voet had gezet wegens geen nood aan wat de bar naast drank te bieden had. Hun plan was “de metamorfose van een leegstaand terrein tot een volkstuin;” de naam van het project: “Fondation Legumen”.

In een studie rond speculatieve leegstand uit 1995 door de Vrije Universiteit Brussel en de Brusselse Raad voor het Leefmilieu, werd de buurt als volgt beschreven:” de hoge concentratie leegstand aan weerskanten van de Jacqmainlaan springt in het oog. Langsheen deze laan en in de aanpalende wijken treffen we op zijn minst 18.000 m2 grondoppervlakte aan waarop zich leegstaande gebouwen bevinden die sterk vervallen zijn. Dit gebied vormt bijna een aaneensluitend geheel van leegstaande woningen, in onbruik geraakte bioscopen, oude bedrijfsgebouwen en braakliggende terreinen. Uit de terreinopname bleek dat dit momenteel binnen de Vijfhoek het gebied is dat het sterkst aan leegstand en afbraak onderhevig is.“

Het initiatief voor Fondation Legumen kwam van Nathalie Mertens, Brusselse kunstenares die in New York kennis had gemaakt met de openbare ‘potagers’ en ‘tijdelijke tuinen’ van daklozen. Impulsen kwamen van de enkele maanden daarvoor opgerichte stadsbeweging Vrijstad Brussel die zichzelf een “democratische, pluralistische en meertalige beweging” noemde, die “individuen groepeert die binnen de Vijfhoek willen (over)leven.” De leden van de stadsbeweging waren kunstenaars, onderzoekers, architecten, stedenbouwkundigen, activisten, krakers, maar ook bewoners van het Brussels Gewest en actieve leden van het Brusselse verenigingsleven, en lieten zich vatten onder de noemer “stadsliefhebbers”.

Het beoogde terrein was eigendom van het Belgisch filiaal van de Franse groep Batir, die het om speculatieve redenen braak lieten. De verloedering van de buurt werd zo op wel erg expliciete manier gelinkt aan de internationale rol van Brussel, de interesse van internationale kapitaalstromen en speculatie die dit met zich meebracht. Bewoners waren er niet meer in de onmiddellijke omgeving. Pas enkele maanden in het project zochten de illegale bewoners van de resterende krotten contact met de tuiniers op het terrein.

Toelating voor het gebruik van de site werd niet gevraagd. Toen de eigenaar via de pers van het gebruik hoorde, liet hij prompt een omheining aanrukken om toegang te verhinderen. Na onderhandelingen en ontmoetingen met de eigenaar, waarin werd overeengekomen geen negatieve publiciteit te maken, werd de omheining terug opgeborgen.

Een groep met wisselende samenstelling tuinierde vrijwel iedere zondag, daarnaast bracht Nathalie Mertens veel tijd door op de site om te spreken met voorbijgangers en bezoekers van stad en tuin. “Er werden er pompoenen, tomaten, courgettes, Oostindische kers, goudsbloemen… geplant en gezaaid. Met materialen die op de site te vinden waren werd een amalgaam van constructies opgetrokken en een reeks initiatieven genomen. Het was een openluchtatelier als het ware”, aldus Nathalie Mertens.

Na de oogst en bijgaande festiviteiten op het terrein werden vier gratis openlucht filmvertoningen georganiseerd. Het collectief Kino Trotter, geinspireerd door de openlucht buurtcinema’s in Italië, combineerde voor het eerst hun liefde voor film, plaatselijke bioscopen en stad in een formule die later onder de naam PleinOPENair een vaste plaats zou verwerven in de Brusselse zomerkalender. Op de derde vertoning werd de projectie echter door de politie stilgelegd, omdat de Brusselse overheden het potentieel van kleinschalige initiatieven (nog) niet wisten te appreciëren.

Wanneer in oktober 1996 de bouwvergunning dreigt te verlopen, vangt de promotor fictieve werken aan. Door een kuil op de site te graven en deze werken in een proces-verbaal te laten vastleggen, kon de bouwvergunning verlengd worden. Daarmee was echter de tuin helemaal vernield, en zetten de deelnemers hun engagement voort in andere projecten. Op de site bevindt zich momenteel het Théâtre National.

Fondation Legumen onderscheidde zich van voorgaande acties in die zin, dat het niet ging over bewoners die zich organiseerden, of een confrontatie met duidelijke tegenstander. Het was gestart vanuit een positieve impuls om een leegstaand terrein in een tuin te veranderen, en bracht zo een lokale, culturele en stedenbouwkundige dynamiek op gang. Het probeerde leegstand en stadsvlucht op de kaart te zetten, maar door een alternatief te tonen en in een desolaat stuk stad een tuin de creëren. De relaties die ontstonden naar aanleiding van de tuin (en Vrijstad Brussel) lieten toe om op de toen heersende stedenbouwkundige visie een alternatief van een leefbare stad te formuleren. Daarnaast zou Fondation Legumen mee aanleiding vormen voor verenigingen als Cinema Nova en City Mine(d).

Al enige tijd neemt de interesse bij pers en politiek voor dit soort projecten toe. Die aandacht is er voor verschillende aspecten: de milieu-bewuste manier van omgaan met de stad, het experimentele en doe-het-zelf karakter van de projecten, hun alternatieve manier van vorm geven aan de bebouwde omgeving in de stad, het betrekken van moeilijk bereikbare bevolkingsgroepen. Volgens sommigen heeft de aandacht te maken met de economische crisis, die maakt dat stedelingen willen besparen door terug zelf dingen te maken, te ruilen of te leren. Anderen zien de oorzaak eerder in politieke veranderingen, waarbij overheden steeds minder willen doen en meer willen overlaten aan het initiatief van de burger. Beiden zijn het er over eens dat deze initiatieven meer te bieden hebben voor economie en overheid dan ze momenteel afleveren.

VOORBEELD 2, Sens Unique

Bezoekers van de markt op het Jourdanplein in Etterbeek werden op zondagochtend 19 januari 1997 door jongleurs, trommelaars en vuurspuwers meegelokt naar een circustent die 400 meter verder opgesteld stond. “Komt dat zien, goede mensen, uw toekomst staat op het spel want de stichting “Sens Unique” is geboren opdat uw buurt niet zou sterven!” De tent zou de volgende acht dagen plaats bieden aan debat, artistieke creatie, directe actie en overleg over de toekomst van het terrein en de buurt, de toekomst voor de bewoners, en de leefbaarheid van Brussel in het algemeen.

Standplaats van de circustent was de Van Maerlant-site: een leeg terrein van 15.000m2 pal in het midden tussen de gebouwen van de Europese Ministerraad, het Europees Parlement en de Europese Commissie. De woningen waren al vroeg jaren ’70 verwijderd voor de aanleg van een autostrade, maar ondanks een kwarteeuw verwoede pogingen was parkeren het enige dat zowel op als met de site gebeurde. De plek stond niet alleen symbool voor de onzekerheid waarin de buurt al decennia leefde, maar door haar leegte en strategische locatie was het voor velen een uitgelezen locatie voor het opzetten van artistieke en politieke vernieuwing en experiment.

Om er voor te zorgen dat de tent een megafoon kon zijn voor de buurt, werden in de week voor Kerst 1996 aan huis en op de markt enkele honderden dozen verspreid. Met de doos kwam een verzoek om haar te gebruiken om uitdrukking te geven aan een verhouding tot de buurt. De resultaten varieerden van maquettes en kijkdozen van een betere buurt, fantasierijke uitdrukking van een liefde voor de buurt, tot dozen die leeg werden gelaten, vernield werden, of als hondentoilet gebruikt waren als blijk van frustratie of onvermogen. Voor het plaatsen van de tent werd beroep gedaan op strategieën uit actie-milieus met scenario’s, back-up plannen en strikte taakverdelingen. En gehuurde walkie-talkies omdat gsm’s nog te exclusief waren.

Het initiatief van Sens Unique werd genomen door een diverse coalitie van ‘stadsgekken’ (wat stond voor studenten, kunstenaars, stedenbouwkundigen, architecten, onderzoekers en het Brusselse verenigingsleven) en de Coordinatie Europa, de vereniging van de betrokken buurtcomités samen met de federaties van bewonerscomités van Brussel. De actieweek startte dan ook met een persconferentie waarop een viertal concrete eisen werden geformuleerd,waaronder de eis voor een coordinatie tussen bewoners en alle betrokken instellingen onder de naam “Miss Europe (v/m)”. De naam Sens Unique, letterlijk verwijzend naar de Wetstraat en Belliardstraat die elk in enkele richting de wijk doorkruisen, verwees echter ook naar het eenrichtingsverkeer in de Brusselse stedenbouwpolitiek, zowel wat betrof Europawijk als in het leefbaar maken van de stad. De grootstedelijk agenda speelde een cruciale rol.

Bij aanvang van de week was het programma voor de tent vrij beperkt. Er was iedere middag soep, brood en een speaker’s corner voorzien, er waren gesprekken gepland en ’s avonds waren er films en optredens. Naarmate de week vorderde en de kranten het verhaal oppikten, groeide echter de activiteit. Er werden theater- en andere workshops georganiseerd, de bewoners toonden een maquette van hoe zij de buurt zagen, en de debatten raakten de echte besluitvormers: verschillende federale ministers toonden zich, en de bevoegde Europese Commissaris kwam naar de circustent om met de bewoners in debat te gaan.

Als gevolg van de actie maakte de Stad Brussel middelen vrij voor een Comité de Suivi, een overleg tussen bewoners en verschillende beleidsniveaus, dat nog tot 2001 actief bleef. Volgens Hilde Geens (BRAL) “had de fysieke aanwezigheid op het terrein in een week veel publieke aandacht en politieke reacties naar boven gebracht. De actie had duidelijk een gezicht gegeven aan de bewoners van de wijk.”

Op zaterdag 25 januari werd in de circustent een “Groot feest” gehouden als slot van de actie. Enkele weken later, toen al het geleende materiaal terug zijn rechtmatige eigenaar had gevonden, werd ook de Stichting Sens Unique opgedoekt. De resultaten van de acties werden verder opgevolgd door de Coordinatie Europa en in het Comité de Suivi. Naast de politieke en institutionele verworvenheden was er echter ook op een minder tastbare manier een bijdrage geleverd aan het grootstedelijk denken in Brussel. Artistiek experiment en de eis voor een meer coherente visie op stedelijke ontwikkeling (al dan niet concreet vertaald in de toekomst van een buurt of een terrein) inspireerden en versterkten mekaar wederzijds. Bovendien overtrof de doorgedreven (want gedeelde) dossier-kennis van de lokale ‘niet-expert’ meer dan eens de institutionele kennis die over verschillende instanties versnipperd was. Bepaalde stedenbouwkundigen (Moritz) gaan zelfs zover om hierin, samen met de acties Hotel Central van een jaar voordien, een nieuwe (“tweede”) wending in de Brusselse stedenbouw te zien.

Vanuit de politieke overheid vertaalt zich de interesse in dit soort initiatieven in het praktisch of financieel steunen of faciliteren ervan, het uitschrijven van programma’s die hiertoe aanzetten, tot zelfs het proberen inschrijven van bestaande initiatieven in overheidstaken of beleid. Economische interesse is er vooral voor de rol van katalysator die deze initiatieven vervullen. Niet zelden brengen ze verborgen talenten in organisatie en creativiteit aan de oppervlakte, en vormen ze de aanzet tot een professionele carrière, een zelfstandige start-up of co-operatieve onderneming.

VOORBEELD 3: MicroMarchéMidi

Brusselse is een stad van tegenstelling. Ook economisch. In 2006 bleek dat Brussel de derde rijkste regio van Europa was, maar dat één op vier Brusselaars in een familie leefde waar gezondheidszorg werd uitgesteld om financiële redenen. En dat twee derde van het in Brussel verdiende geld buiten het gewest besteed werd. Ook City Mine(d) was verwonderd over wat het de Brusselse scheefstand noemde, en ging op zoek naar hoe zich dat in de stad vertaalde.

Als eerste initiatief organiseerde het in de zomer van 2006 een Scanning of doorlichting op plekken waar de tegenstellingen het meest nadrukkelijk aanwezig zijn. Er werden wandelingen georganiseerd in de Heyvaertstraat, Brabantstraat en rond de slachthuizen van Anderlecht; daarna werd een roze caravan op publieke plaatsen in de Noordwijk en Zuidwijk geparkeerd, werden voorbijgangers door middel van kleine interventies bewust gemaakt van de scheefstand, en werden ze vervolgens geïnterviewd over hun ervaring met de Brusselse economie. De resultaten werden gepubliceerd in een DVD die als werkmateriaal diende voor verdere acties. Het hele programma kreeg de naam Micronomics.

Vanuit de Scanning was de vraag gerezen naar de rol die kleinschalige initiatieven konden spelen in de scheefstand. Met dat als onderwerp, werden een reeks verkennende workshops georganiseerd. Ondanks discussies over sociale en informele economie, en de bedenking dat sommige economische activiteiten misschien beter niet geïnstitutionaliseerd worden maar in de grijze economie blijven, groeide toch een gedeelde overtuiging dat sommige kleinschalige innovatieve en experimentele projecten een bemiddelende rol konden spelen in de heersende economische ongelijkheid. Het plan groeide om een “concrete experimenteerzone voor dit soort economische praktijken” te ontwikkelen, een plaats waar de discussie een plaats kan krijgen op fysieke publieke plaatsen, geprogrammeerd met echt doenbare Micronomics projects.

De uitkomst was tweeledig: enerzijds werd het Micronomics festival georganiseerd, anderzijds zou een markt ontwikkeld worden waar juridische belemmeringen voor kleinschalige economische experimenten tot een minimum herleid zouden worden.

Het eerste Micronomics Festival vond plaats in November 2006. In de voormalige Zeevaartschool in de Maritiemwijk in Molenbeek werden presentaties, debatten en optredens georganiseerd en werd een documentatiecentrum ingericht. Tegelijk werd aan het Noordstation een publieke actie opgezet: installaties van stadsactivisten uit Barcelona, Londen, Brussel en Caracas, interviews met pendelaars, kantoorbedienden en wijkbewoners, video-projecties in een multimedia-caravan, sprookjes voor het huiswaarts gaan en “een micromarkt als tijdelijke economische vrijzone.” Er volgenden nog 3 totaal verschillende edities van het Micronomics festival in de Zuidwijk, op het einde van de Dansaertstraat, en een laatste gedecentraliseerd in Molenbeek, Brussel en Elsene. Het vormde aanleiding voor workshops over economie van-onder-uit met deelnemers uit 19 landen, een steeds meer uitgebouwd documentatie-centrum, een artistieke programmatie en creaties zoals de Wafelbank — een bank waarbij een vaardigheid geruild kan worden tegen een warme wafel — of de Soepmachine — een open design proces voor een machine die in 7 minuten op een publieke plaats een groente kan veranderen in verse soep.

Op zondag 30 september 2007 werd de eerste wekelijkse MicroMarchéMidi georganiseerd. Op een ongebruikte middenberm van de kleine ring aan het Zuidstation, naast de Zuidmarkt. Initiatiefnemers Overmolen, Beursschouwburg en City Mine(d) waren er van overtuigd dat Brussel een onaangesproken creatief potentieel heeft dat, mits beter benut, initiatiefnemers economisch meer autonomie en weerbaarheid zou geven. Ze gebruiken de kwaliteiten van een markt -verkoop, uitwisseling, ontmoeting- om micro-producties en creativiteit onder de aandacht te brengen. Kleding en voeding, maar ook lichaamsverzorging, audio-visuele creaties en zeefdruk worden aangeboden. Theater en muziek-optredens geven de markt een eigen identiteit.

De markt wordt minstens een keer per week georganiseerd, en wordt op 8 november 2008 voor de vijftigste keer opgesteld, zij het ondertussen op een nieuwe lokatie aan de Brusselse Dansaertstraat. Gemiddeld telt de markt 15 kramen, en er ontwikkeld zich een lijst van een honderdtal kandidaat deelnemers die zichzelf “Marchands” noemen. In september van datzelfde jaar wordt de MicroMarcheMidi verzelfstandigd tot een coöperatieve vennootschap, waarin Marchands nauw betrokken worden in het beheer.

Met het weer als grootste hindernis voor een breder publiek, gaat de coöperatieve op zoek naar een vaste en vooral overdekt stek. Na heel wat exploratie komen ze terecht in de Steenkoolkaai, in de gebouwen van die de Miroiterie Leys pas heeft verlaten. MicroMarchéMidi knipt de Midi van haar naam, en stort zich in een nieuwe avontuur met kleinschalige creativiteit. Het nieuwe elan levert MicroMarché in 2011 de Thuis in de Stad-prijs op als “hefboom voor het denken over nieuwe vormen van privaat-publieke samenwerking, van kruisverbinding tussen economie en cultuur, en van ondersteuning van een intercultureel aanbod dat op gedifferentieerde wijze een ruim publiek kan bereiken,” aldus het juryrapport.

Toch blijft het erg moeilijk om van één praktijk, beweging of discipline te spreken. Aandachtige toeschouwers zoals onderzoekers, planners en beleidsmakers voelen intuïtief aan dat er zich een domein aftekent van activiteiten die “goed zijn voor de stad” en die ageren waar overheden te kort schieten, maar vooralsnog is er geen definitie van dat veld, zelfs geen naam die aan de verschillende praktijken kan refereren.

VOORBEELD 4: De Koep

In oktober 1889 tekenden bijna 700 Turnhoutenaren een petitie aan hun gemeentebestuur met de eis voor een modern rioleringsnet. De sterke bevolkingstoename, samen met de in het centrum van de stad gevestigde papier-industrie, zorgden er voor dat het bestaande systeem van beken en grachten vervuild geraakte, en de kwaliteit van het drinkwater bedreigd werd. Naburige gemeentes hadden voordien ook al geklaagd van vervuiling die leed tot vissterfte. Ironisch genoeg zou precies een eeuw later de uit lokale actiegroepen opgerichte groene partij Agalev vervuiling van precies dezelfde beek aangrijpen om milieu-beheer opnieuw onder de aandacht te brengen. Eind 19e eeuw kregen de inwoners van Turnhout hun zin en werd begonnen met grootscheepse “gezondheids- en verfraaiingswerken,” waaronder de bouw van riolen en een waterleidingnet. Door stoommachines aangedreven pompen zouden water naar een centraal gelegen toren stuwen, vanwaar het over de hele stad verdeeld werd. Turnhout was na Antwerpen nog maar de tweede stad in de provincie met een modern waterleidingnet, en de inhuldiging ervan in 1904 werd aan niemand minder overgelaten dan Prins Albert en Prinses Elizabeth. De watertoren was naast een geslaagd saneringsproject dan ook een onderwerp van civiele trots voor de plaatselijke bevolking.

Toen de watermaatschappij Pidpa in 2008 de watertoren uit dienst nam, was die ondertussen al erkend als beschermd monument. Turnhout was niet van plan om de toren leeg te laten staan, en het gemeentebestuur besloot hem te huren voor cultureel gebruik. Op die manier werd het monument het kloppend hart van Turnhout 2012, een uitgebreide culturele programmatie naar aanleiding van de titel “Cultuurstad van Vlaanderen 2012”. De toren nam niet alleen een centrale plaats in de beeldvorming rond het cultuurjaar, maar was bovendien podium voor meer dan 80 optredens. Elke weekavond tussen maart en november was de toren het podium voor jong en gevestigd talent, voor amateurs en professionals. Er waren muziekoptredens, lezingen, voordrachten, dans- en theatervoorstellingen, comedy, literaire avonden. De evenementen waren gratis toegankelijk en lokten vele duizenden toeschouwers. Na het cultuurjaar wou eigenaar Pidpa het stuk vastgoed graag te gelde maken, en zette het de watertoren te koop. Gezien de succesvolle ervaring in het cultuurjaar, werd het stadsbestuur de kans geboden om de toren voor een voordelige prijs te kopen.

De weigering door het stadsbestuur van het aanbod, en waarschijnlijk geholpen door een malaise die het stadsbestuur op dat moment overheerste, zette een aantal burgers die mekaar gevonden hadden in Turnhout 2012 aan tot een brede mobilisatie rond de toren. “De watertoren was zowat de eerste gemeenschapsvoorziening van de Kempen en wij vonden het waardevol dat de burgers hem in handen zouden kunnen krijgen,” aldus een van de initiatiefnemers. Wat volgde is Operatie Watertoren, een slimme media-campagne en crowd funding die geld inzamelde om de toren te kopen. Burgerbeweging De Koep wordt opgestart waar van de naam enerzijds verwijst naar de “coupe” of kuip van de watertoren, maar tegelijk ook refereert aan het Engelse co-op voor co-operatieve, dat de collectieve geest van het project benadrukt. Op zes weken tijd wist de beweging 26.000 Euro in te zamelen. Op de openbare verkoop werd echter 220.000 Euro voor de toren geboden, ver buiten het bereik van De Koep.

Daarmee was het verhaal van De Koep niet afgelopen. De vereniging was namelijk opgericht met een tweeledig doel: een poging wagen om de Turnhoutse Watertoren te behouden voor de gemeenschap; en het onderzoeken en begeleiden van de oprichting van een co-operatieve vennootschap. Dat laatste werd nu de hoofdactiviteit, en er werd begonnen met volksvergaderingen. Op deze vergaderingen wordt supporters de mogelijkheid geboden om hun toegezegde steun terug te krijgen, wat slechts een kleine minderheid doet, en wordt gepeild naar ideeën waarin de burgerbeweging zich in de komende tijd in kan investeren. De lijst van ideeën die de veertig deelnemers bespreken bevat Windenergie; Collectieve bedeling van winkels en horeca-zaken; Maand- of kwartaalblad voor de stadsregio; Stadshoning; Kinderopvang; Plukboerderij; Pop-up-stores; Sociale Schrijnwerkerij en een Ontmoetingsplaats/Volkskeuken. Amper vijf maanden later wordt begonnen aan de co-operatieve Campina Energie, die investeert in energie-productie op basis van hernieuwbare bronnen. Ze streven er naar om tegen September 2014 erkend te worden als co-operatieve.

Toen City Mine(d) in 1998 voor het eerst over dit soort activiteiten schreef (Bunker Souple 1998), koos het de naam “Stedelijke Initiatieven” voor de praktijken “van onder uit” waar het zich voor interesseerde. “Stedelijk” omdat het een aantal kwaliteiten samenbracht die ook steden aantrekkelijk maken, zoals diversiteit of het eclectische karakter, het vernieuwende of experimentele, en het publieke of inclusieve karakter, zonder politieke, sociale en culturele eigenschappen uit het oog te verliezen. “Stedelijk” refereerde toen aan een onderscheid tussen initiatieven van onder uit die in steden ontstaan, en initiatieven van burgers die zich buiten de stedelijke context ontwikkelen. Een onderscheid dat trouwens eerder sociologisch dan geografisch is, met andere woorden een initiatief is niet zozeer stedelijk omdat het zich afspeelt in een locatie die als stad geregistreerd staat, maar wel omdat het inspeelt op een aantal kwaliteiten die men stedelijk noemt, namelijk schaal, dichtheid en verscheidenheid.

Vanzelfsprekend leiden hoge bevolkingsconcentraties tot uitdagingen op het vlak van inwoners huisvesten, onderwijzen, verzorgen of vervoeren. Vaak echter blijven de kansen die deze concentraties met zich meebrengen onderbelicht. Grotere schaal laat immers specialisatie toe. Neem het voorbeeld van onderwijs. Meer kinderen van schoolgaande leeftijd vragen immers dat er meer scholen gebouwd worden. Dit laat echter ook toe om meer specifieke scholen te bouwen. Naargelang noden en levensbeschouwelijke overtuiging, kunnen verschillende opleidingsniveaus en pedagogische modellen aangeboden worden, gaande van kleuter-onderwijs tot gespecialiseerde academische opleidingen, of modellen geïnspireerd op Steiner, Fröbel, Montessori of zelfs Illich. Het is de grote vraag die specialisatie toelaat. Of neem als voorbeeld openbaar vervoer. In een stad met een gemiddelde van 12 woningen op de oppervlakte gelijk aan een voetbalveld is een busdienst rendabel, 30 woningen op dezelfde oppervlakte laten een lightrail toe, met alle stijging van comfort van dien. Steden bieden ons de mogelijkheid om uit een divers aanbod van materiële of zelfs intellectuele goederen een persoonlijke keuze te maken, gaande van kleding en objecten naar onze persoonlijke smaak, meer of minder exotische maaltijden, populaire of elitaire films, gevestigde voetbalclubs of underdogs, abdijbier of pils, de keuzes zijn eindeloos.

Door het feit dat meer, verschillende mensen dichter bij mekaar wonen ontstaan er kansen die zich anders niet zouden voordoen. Er ontstaat vanzelfsprekend ook een druk die indien slecht beheerd voor problemen kan zorgen, maar in een goed functionerende stad wegen de voordelen sterk op tegen de nadelen: er is een publiek voor creatief experiment, er zijn vaardigheden aanwezig voor het realiseren van experimenten, gelijkgestemden om mee samen te werken, andersgezinden om mee in dialoog te gaan en zo voort. Stedelijke initiatieven grijpen deze kwaliteiten aan voor stedelijke ontwikkeling. Ontwikkeling niet zozeer in de betekenis van vastgoed-ontwikkeling maar van een streven naar levenskwaliteit voor alle stedelingen en een efficiënter omspringen met de beschikbare middelen.

Maar ook de frictie die eigen is aan steden draagt bij tot de ontwikkeling van stedelijke initiatieven. De verschillen die in mekaars nabijheid gebracht worden vormen onderwerp van discussie en verandering. Volgens sommigen is het zelfs deze frictie die een stedelijke omgeving onderscheid van een meer rurale (Vlaamse bouwmeester). Stedelijke initiatieven zijn vaak experimenten die proberen om te gaan met de veranderende stad, door het samen brengen van verschillende stedelingen, door het geven van een stem aan diegenen die ondervertegenwoordigd zijn, door het uitproberen van nieuwe vormen van overleg en besluitvorming. In de publicatie “Les Tambours dans l’oreille d’un sourd” schijven een aantal initiatieven expliciet “onze praktijken hebben niets te maken met het beheersen van spanningen of het harmoniseren van verschillen.”

Waarom is dit belangrijk ? Steden zijn geografisch, sociaal, politiek en cultureel zeer gefragmenteerd. Er lopen diepe breuklijnen tussen armere en rijkere buurten en bevolkingsgroepen, en tussen bewoners van verschillende politieke of religieuze overtuiging. Geïnstitutionaliseerde initiatieven schikken zich vaak naar deze breuklijnen, bewust of niet. Sommigen beperken zich tot een deel van de stad, terwijl anderen als enkel onderwerp het overbruggen van die breuklijn hebben, waardoor ze deze vaak ongewild bevestigen. Om de breuklijnen te overbruggen zijn initiatieven nodig die stedelijke fricties verkennen en als inspiratie voor hun werk kiezen. Opnieuw in Les Tambours dans l’oreille d’un sourd beweren de initiatieven dat deze plaatsen of mensen “die niet geassocieerd willen worden met armoede of uitsluiting wel eens een goede aanleiding zouden kunnen zijn voor weldoordachte interventies.”

Stedelijke initiatieven zijn moeilijk als politiek neutraal te beschouwen. Hoewel zelden of nooit gelinkt aan politieke partijen, delen de meeste stedelijke initiatieven overtuigingen die niet door iedereen onderschreven worden. De ambitie om voor alle stedelingen te werken minimaliseert culturele of sociale verschillen, levenskwaliteit voor alle stedelingen gelooft in herverdelende principes, en een efficiënter omspringen met de beschikbare middelen geeft een hogere prioriteit aan duurzame ontwikkeling dan aan economische groei.

Wanneer is een initiatief een “stedelijk initiatief” ? Hoewel het niet de bedoeling is om hier een oordeel te vellen over welke initiatieven wel en welke niet als “stedelijk initiatief” te beschouwen zijn, lijkt het ons toch handig om op basis van onze ervaring op zoek te gaan naar welke eigenschappen een aantal initiatieven delen, en welke van die eigenschappen interessant en relevant kunnen zijn voor overheid of economie. Onduidelijkheid hierover maakt immers dat het voor geïnteresseerden moeilijk is om uit te maken welke initiatieven de kern van deze praktijken uitmaken, en welke eerder toevallig gelijkenissen vertonen met die praktijken.

De vijf eigenschappen die ons opvielen zijn:

  1. van onder uit
  2. 2. open

3. divers

4. zuinig

5. proces-gericht

Van onder uit — 1.

“Van onder uit” beschrijft een aantal sociale en organisatorische kenmerken. Voor heel wat initiatiefnemers is het van groot belang dat het project niet werd opgelegd door een overheid of opdrachtgever. In deze onderscheiden ze zich sterk van de kunstenaar die door een curator wordt gevraagd om te werken op publieke plaatsen, of die wordt ingepast in stedelijke festivals. Onafhankelijkheid en zelfbeschikkingsrecht zijn nodig om het initiatief te doen groeien samen met lokale actoren. Het is het platform van betrokkenen dat in staat moet zijn om de doelstellingen te bepalen en bij te sturen indien nodig, niet de opdrachtgever. Hierdoor ligt de eindverantwoordelijkheid bij het project, en kan deze niet worden afgeschoven op een hogere overheid. Voor heel wat betrokkenen is dit een eerste ervaring met het dragen van verantwoordelijkheid over initiatieven die ingrijpen in de stad. Het creëert een bewustzijn dat niet altijd afgewacht moet worden tot er van hogerhand een voorstel wordt gedaan, maar dat er wel degelijk plaats is voor eigen initiatief. Door eerst en vooral rekenschap af te leggen aan de betrokkenen in het project, en niet aan een abstracte overheid, ontstaat een gevoel van emancipatie en komen kansen aan het licht die anders verborgen zouden blijven.

“Van onder uit” slaat ook op de horizontale beslissingsstructuur in de projecten. Er is niet één eind-verantwoordelijke, maar alle betrokkenen hebben evenveel inspraak. In die zin zijn de projecten vaak experimenten in besluitvorming waar de stedelijke democratie veel uit leren kan. Omdat niet iedereen verbaal even sterk is, of graag deelneemt aan vergaderingen, moeten er manieren gevonden worden dat ook de mening van deze deelnemers een plaats krijgt.

VOORBEELD 5: Can Nova

De voormalig industriële buurt Poblenou in Barcelona maakt al meer dan een decennium deel uit van het grootste stadsvernieuwingsproject in Europa. In het jaar 2000 keurde de stedelijke overheden het ambitieuze plan 22@ goed, dat ernaar streefde om Poblenou om te vormen tot de technologie- en innovatie-buurt van de stad, en om ruimte voor vrijetijdsbesteding en wonen te vergroten. Dwars door Poblenou loopt de Avinguda Diagonal, die voorts van West naar Oost door de hele stad loopt.

Op de kruising van deze Diagonal en de Pere IV, andere as die aan het strakke grid van het Barcelonese stratenplan ontsnapt, werd een stuk land van ongeveer 5 hectare door het 22@ plan als park voorbestemd. Het ontwerp van het park werd toevertrouwd aan de beroemde Franse architect Jean Nouvel, die op dezelfde Diagonal met de Agbar toren de stad al een landmark had geschonken. Alluderend op een illustere New Yorkse voorganger, werd het project Central Park genoemd. De stad aarzelde niet om het terrein te onteigenen en in 2003 werden de laatste woningen er gesloopt. Daardoor kwam een oude fabriekssite, Can Ricart, in vol zicht van de flaneurs op de Avinguda Diagonal.

Toen een jaar later het terrein nog altijd braak lag, namen een aantal gebruikers van de fabriekssite en bewoners het heft in eigen handen en begonnen ze zelf aan de aanleg van een park. Aanvankelijk werd de kale fabrieksmuur geschilderd, op 29 mei 2004 volgde de actie ParcCentralPark. Een veertigtal buurtbewoners, gebruikers van Can Ricart en sympathisanten begonnen gewapend met borstels en spades met het schoonmaken van de site. Al gauw bleek het strategisch belang van de as waarop het terrein zich bevond, want in geen tijd werden de schoonmakers van de site verdreven door een honderdtal leden van de Spaanse oproerpolitie. Eenmaal ontruimd omsingelde de Guardia Civil de site die vervolgens als verboden zone werd bewaakt. Toen de actieve burgers vervolgens hun aandacht en borstels richtten op een aanpalend terrein van amper 1000m2, werd ook dat manu militari verhinderd. De patstellingen zou pas in de namiddag opgeheven worden toen Guardia Civil maar ook Spaanse burgers aan hun siesta toe waren.

De publieke manifestatie leidde er wel toe dat de lokale grieven bij zowel de stedelijke overheden als het bureau van architect Jean Nouvel gehoor kregen. De bewonerscomités werden geconsulteerd, een kunstwerk van een lokale kunstenaar werd geïntegreerd in het ontwerp van het park, en een schoorsteen op de site werd behouden en gerestaureerd als aandenken aan het glorieuze industriële verleden van de buurt. Tot de besluitvorming omtrent de volledige 5 hectare kregen de bewoners echter geen toegang. De beschikbare tijd en efficiëntie van de burgers bleek niet opgewassen tegen de dynamiek van de globale city branding.

Ondertussen vonden in het gebouwencomplex Can Ricart nog een zestigtal KMO’s, kunstenaarscollectieven en kunstencentra een onderkomen. Samen boden ze werk aan een 240tal mensen. Onder hen bevond zich Can Font, gedeelde werkruimtes waar ook City Mine(d) een plaats had. Toen in September 2004 de stad Barcelona de gebruikers op de hoogte stelde van de op handen zijnde afbraak van het complex, was City Mine(d) dan ook bij de oprichters van het platform “Salvem Can Ricart” (Red Can Ricart) en nam het deel aan initiatieven zoals “Made in Can Ricart” dat op de site gemaakte producten en de nog aanwezige industrie promootte. In april 2005 werd een lijvig dossier opgesteld ter verdediging van het behoud van de site. Daarin werd de erfgoedwaarde van het complex uitgespeeld -een van de laatste drie 19e eeuwse industrie complexen in Barcelona, waar opeenvolgend textiel-, zeep- en papier-industrie, en meer recentelijk creatieve industrie ontwikkelden-, werd het stedenbouwkundig aspect benadrukt -het verlies van een publiek toegankelijke site waar experiment en industrie naast elkaar bestaan-, en werd een kritiek geformuleerd op het plan 22@ -door stijgende vastgoedprijzen dreigt het plan bestaande ondernemingen naar de rand de stad te dringen, en door een te nauwe kijk op innovatie dreigt het enkel oog te hebben voor technologische innovatie. Bovendien bevatte het dossier een alternatief voorstel dat behoud van de bestaande kwaliteiten zou kunnen combineren met de verwachtingen van het nieuwe stadsontwikkelingsprogramma. Het resultaat was heel wat pers-aandacht en een hervatte onderhandeling die maandenlang zou aanslepen. Uiteindelijk besloten de stedelijke overheden in januari 2006 om de helft van de site te bewaren, en het stedenbouwkundig plan aan te passen om tegemoet te komen aan de eisen van de gebruikers. Helaas kwam het nieuws precies op de dag dat de uitbater van de Bar Pacos, de ontmoetingsplek op de site, uit zijn pand gezet werd. Daardoor verloor de plek, die in 2014 nog steeds kleine ondernemingen en kunstencentra huisvest, veel van haar publiek karakter.

Open — 2.

Stedelijke initiatieven zijn “open” omdat ze toegankelijk proberen zijn voor iedereen. Bezoekers zijn welkom als co-creator maar evenzeer als toeschouwer (voor zover er al een onderscheid is tussen produceren en consumeren bij stedelijke initiatieven). De openheid slaat dan op het publieke karakter, zich afspelend op letterlijke publieke plaatsen of plaatsen die voor de gelegenheid publiek gemaakt worden. Hindernissen voor toegankelijkheid, zoals toegangsprijs of inschrijving, worden tot een minimum beperkt, en er wordt gestreefd naar een sociale en culturele mix van deelnemers.

Vaak zijn de projecten ook “open” in de zin van hun doelstellingen. Het initiatief vormt vaak een de aanleiding voor het bijeenkomen van verschillende deelnemers, maar de bedoeling is niet simpelweg de uitvoering van een plan. Iedere nieuwe deelnemer kan zijn doelstellingen toevoegen aan het project, en het halen van een doelstelling vormt vaak aanleiding voor het formuleren van een volgende.

Tenslotte zijn de projecten ook “open source”: er wordt geen auteursrechten op het werk uitgeoefend, en bovendien worden alle ervaringen en processen publiek gemaakt zodat andere initiatiefnemers er van kunnen leren en er op kunnen bouwen.

VOORBEELD 6: Staten-Generaal voor het Water in Brussel

De Graystraat in Elsene in een kronkelend straatje dat de ondertussen al lang overwelfde Maalbeek volgt. Het rioleringsnet was er niet berekend op de taken die de rivier vroeger op zich nam, en bijgevolg stonden de bewoners van de straat bij het minste stormweer tot de knieën in het water. In 1996 stellen Gewest en Gemeente samen trots de oplossing voor: vergroten van de infrastructuur onder de Graystraat en bouw van een stormbekken onder het Flageyplein. Het stormbekken zal een ondergrondse kathedraal worden van 30.000 m3 en met een geschatte kost van 25 miljoen Euro. Van bij aanvang zijn omwonenden achterdochtig. Schepen van Openbare Werken Decourty stelt hen gerust dat de werken voor het jaar 2000 afgerond zullen zijn en dat de hinder voor de omgeving minder groot zal zijn “dan die van het Circus Bouglione dat jaarlijks op het plein staat.” Het circus dat volgde rond het stormbekken had niemand verwacht.

De bewoners maken zich ernstige zorgen, en organiseren zich voor de gelegenheid in verschillende bewonerscomités, Hun grootste bekommernis is de ondemocratische manier waarop het dossier tot stand is gekomen, met als meest flagrant voorbeeld een enorme technische ruimte die, eenmaal alle stedenbouwkundige vergunningen verworven zouden zijn, als bij toverslag zou veranderen in parking met een tweehonderdtal plaatsen. Ze dienen klacht in tegen het stormbekken op grond van het gebrek aan studie van de impact op de omgeving van de op handen zijnde werven, maar de Raad van State verwerpt hun klacht. De gemeente verwijt de bewonersgroepen een gebrek aan solidariteit met de bewoners van de Graystraat, een stellingenoorlog van jaren begint.

Er is evenwel ook een tweede groep burgers die vragen heeft bij het stormbekken. Ze combineren creatieve en artistieke acties met een doorgedreven onderzoek naar het gebruik en de gevolgen van stormbekkens in andere landen. Daarbij ontdekken de burgerwetenschappers dat in Nederland en Duitsland stormbekkens vrijwel niet meer gebruikt werden, maar dat er zich alternatieve oplossingen aandienden.

Volgens hun onderzoek waren overstromingen in stedelijke gebieden te wijten aan een toenemende verharding van de oppervlakte. In plaats van in te sijpelen in de grond, wordt regenwater daardoor afgeleid naar de riolen, die door het toenemend debiet sneller verzadigd zijn. De Maalbeekvallei was hiervan de beste illustratie: de vallei bestrijkt een totaal van 900 hectare en het stormbekken probeerde de regenval op dat gebied te concentreren onder een plein van amper 1 hectare. Er was dus eerder nood aan manieren die toelaten om water in de grond te laten dringen, te laten verdampen en te vertragen in zijn stroom naar beneden in de vallei. Het was met andere woorden niet meer aan ingenieurs om met een technische oplossing voor het waterprobleem te produceren, maar eerder aan een participatieve oplossing waarin iedereen betrokken werd bij het herdenken van de stad. Naar aanleiding van deze conclusies verzamelden in februari 2002 een honderdtal geïnteresseerden onder de noemer Assemblée de gens du Maelbeek. Tijdens de ontmoeting, zelf spreken ze van volksonderwijs, plaatst Ricardo Petrella de bouw van het stormbekken in een breder kader van de privatisering van het waterbeheer.

De verschillende initiatieven slagen er niet in om de bouw van het stormbekken te verhinderen. Het zou tot juli 2008 duren alvorens de bewoners hun plein terugkrijgen. Ondertussen zitten de burgerinitiatieven rond water echter niet stil. Er wordt een ideeën oproep gelanceerd onder de naam Open Source die aanleiding vormt voor een proces van verschillende maanden van eind 2007 tot juni 2008, met workshops, conferenties en een ruim bezochte tentoonstelling van het geleverde werk. Als een van de ideeën ontstaan de personages Super-Désasphaltico (een super Amigo), zijn gemene tegenhanger Asphaltor en Ixelligator (de goedaardige draak), die het waterthema tot op de Zinneke Parade brengen. Daarnaast ontstaan artistieke projecten, zoals Maalbeek Mon Amour dat de loop van de Maalbeek verbeeldt in de buurt, wordt het concept Nieuwe Stadsrivieren van onderzoekster Valerie Mahaut aangewend om collectief rond water in de stad te werken, en worden piloot-buurten rond nieuwe vormen van waterbeheer ontwikkeld.

De verschillende initiatieven brengen water onder de aandacht, ook van de politiek, en als gevolg vermeldt het Brussel Gewest in een kaderordonnantie “de geïntegreerde aanpak van waterbeheer” en de stelling dat “water deel uitmaakt van het gedeeld patrimonium van de mensheid”, om het te beschermen tegen verregaande privatisering. Om water als gemeengoed te vrijwaren, organiseren de “gens du Maelbeek” in 2010 een Staten Generaal van het Water in Brussel, als start van een alliantie tussen burgers en overheid. De bevoegde minister erkent het potentieel van de Staten-Generaal, en vraagt hen een rol op te nemen de organisatie van de burgerinspraak in het op handen zijnde Waterbeheersplan voor het Brussels Gewest. Ondertussen is de Staten-Generaal van het Water in Brussel uitgegroeid tot een brede burgerbeweging die het thema water in het hele Brussels Gewest op de kaart zet.

Divers — 3.

Hierbij aansluitend zijn stedelijke initiatieven vaak “divers”. Het eclectisch karakter weerspiegelt zich in het feit dat vaak niet één enkel product wordt afgeleverd, maar dat het ene initiatief aanleiding vormt voor een ander, al dan niet in mekaars verlengde. Zo lijkt het alsof het initiatief nooit af is, maar een voortdurende verbetering van prototypes.

Bovendien proberen de projecten ook divers te zijn in het publiek dat ze betrekken. De initiatieven onderscheiden zich actief van projecten die minderheden of bepaalde sociale groepen vertegenwoordigen. Vooreerst vertegenwoordigd iedereen zichzelf in een stedelijk initiatief, maar daarnaast wordt ook het risico vermeden om een groep te creëren die op zich exclusief wordt. Vandaar zijn de groepen van betrokkenen vaak niet groot, maar zeer divers wat betreft leeftijd, achtergrond en ambitie.

VOORBEELD 7: de Smala van Abd El Kader

Tijdens de G8 van juni 2003 in het Franse Evian werd een alternatieve top georganiseerd op de vlaktes van het naburige Annemasse. Voor de gelegenheid werd hier een tijdelijk dorp voor een 5000tal bewoners opgericht. Voor Stany Cambot en Echelle Inconnue vormde het aanleiding om op zoek te gaan naar precedenten van deze vorm van mobiele en provisoire stedenbouw. Een sprekend voorbeeld daarvan is de Smala van Abd el Kader, van 1841 tot 1843 economische, culturele en politieke hoofdstad van de weerstand tegen de Franse kolonisatie door het Algerijnse volk. De tenten-stad knoopte aan bij oude stammen-tradities: ze kan verplaatst worden naargelang de verschuivingen van het front en herbergt enkele tienduizenden bewoners en ambachten nodig voor het organiseren van de strijd. Voor Echelle Inconnue is er een interessante parallel te maken tussen het nomadisme van Abd El Kader in de 19e eeuw, en groepen waarvan het bestaan wordt genegeerd of uitgewist in hedendaagse Franse steden.

Echelle Inconnue neemt zich voor om in de verschillende Zuidfranse steden waar Abd el Kader gevangen gehouden werd activiteiten te organiseren die enerzijds een reconstructie maken van de geschiedenis van de emir in gevangenschap, anderzijds inter-ageren met minderheden en het publiek domein in de verschillende steden. In de periode van maart 2006 tot mei 2011 bezoeken ze Pau, Bordeaux, Lyon, Marseille en Toulon om uiteindelijk hun ervaringen eind 2011 naar Algiers te brengen.

Al vrij vroeg beschrijft Cambot het project als een ‘jeu de pelote basque’, een kaatsspel dat niet volgens een gepland scenario verloopt maar eerder inspeelt op kansen die zich aandienen. De historische Smala vormt daarin vaak de artistieke aanleiding om een stem te geven aan groepen die niet zichtbaar zijn in het straatbeeld.

In Pau werkt Echelle Inconnue samen met de studenten van de bezette universiteit. De studenten zijn in staking omwille van op handen zijnde sociale hervormingen, en hun acties worden onderdeel van de gesprekken rond de Smala. Bij het ontwerpen van zijn Smala heeft Abd el Kader namelijk zijn infrastructuur tot een minimum moeten beperken, wat de vraag doet rijzen naar de essentie van de stad. Voor studenten en betrokkenen vormt de essentie die zij kunnen bijdragen het delen en overdragen van kennis. Er wordt geconcludeerd dat een hedendaagse Smala een boek, een tent en een plaats om de tent op te zetten nodig heeft. De tent wordt opgezet op een publieke plaats in de stad, en doet dienst als bibliotheek en als veld-atelier waar verhalen van verborgen stedelingen getoond kunnen worden. De tent zal de rest van de Smala vergezellen.

Hoewel de plaatselijke overheden beweren dat in Pau geen Algerijnen wonen, doen uithangborden en namen in telefoonboeken anders vermoeden. Uiteindelijk worden de “onzichtbaren” gevonden. Dit leidt tot een tweede interventie: het gebruik van nieuwe technologie om als vrijwel onzichtbare gemeenschap met elkaar in contact te blijven: een dertigtal plaatsen in de stad wordt voorzien van een QR code. Wanneer bezoekers de code scannen met een smartphone krijgen ze toegang tot verhalen, video’s en informatie over de Algerijnse gemeenschap in Pau.

In Bordeaux worden de resultaten van het werk in Pau getoond: de tent met kaarten van de Smala en video’s met getuigenissen van de Algerijnse gemeenschappen in Frankrijk. Naast de verhalen van de Algerijnse gemeenschap in Pau, bevat het ook een video van interviews met Algerijnse Fransen die de naam “Abdelkader” kregen en wat dat voor hen betekent.

In Lyon werd in 2007 een Roma kamp, dat zich enkele maanden eerder op een braakliggend terrein had gevestigd, door oproerpolitie verwijderd. De betonnen plaat op het terrein werd door de overheden vernietigd op een manier die het terrein voor goed onbruikbaar maakte. De parallel met de manier waarop de Franse kolonisator de Smala vernietigden is moeilijk te negeren. Tijdens een 10daagse residentie zet Echelle Inconnue haar tenten op op de voormalige Roma site. Naast de bibliotheek nu ook een tweede tent die toelaat het verhaal van de Roma te vertellen.

In Marseille en Toulon wordt gewerkt met bewoners van verwaarloosde woonblokken: in Marseille in Plan d’Aou en in Toulon in de cité Berthe. In Plan d’Aou werd de moskee op enkele jaren tijd tot drie keer toe gedwongen om te verhuizen, en bleef de toegezegde ruimte jarenlang zonder dak, wat de moslimgemeenschap dwong tot een nomadisch bestaan. Tijdens gesprekken met bewoners en onderzoekers rijst telkens de vraag naar de manieren waarop Islam en uiterlijke kenmerken ervan van de publieke plaatsen worden gebannen. De vraag wordt des te prangender wanneer op de affiche die Echelle Inconnue ontwierp de moskee door de gast-organisatie wordt gecensureerd. Als reactie zet Echelle Inconnue haar tenten met tentoonstelling voor het stadhuis en vier andere plaatsen, en brengt zo verzamelde getuigenissen en debat direct bij het publiek.

De hedendaagse Smala ontwikkelde zich in buurten waar het beheer van het publiek domein lange tijd werd overgelaten aan de straatvegers, en die “de republiek” nu opnieuw wil “heroveren” door middel van stadsvernieuwing en gelijkekansenbeleid. Echelle Inconnue is er zich terdege van bewust dat culturele acties een van de methodes zijn die hiervoor aangewend worden, wat voor hen een reden is om thema’s aan te snijden en groepen aan het woord te laten die dit discours in vraag stellen.

Zuinig — 4.

“Zuinig” refereert hier aan de economie en de ecologie van de projecten. Omdat ze van onder uit ontstaan en veel belang hechten aan hun eigen eindverantwoordelijkheid, wordt de financiële schaal van de initiatieven vaak beperkt gehouden. Hoe meer financierders, hoe meer verantwoordelijkheid er af te leggen is. Omdat er weinig middelen beschikbaar zijn, worden deze vaak maximaal benut. Wat leidt tot de ecologische betekenis van zuinig. Bij de initiatiefnemers leeft vaak het besef van de schaarste van middelen, en dus van een streven naar een optimale benutting ervan. Hergebruik en uitwisseling staan daarom vaak hoog op de agenda. Niet enkel als onderwerp van heel wat initiatieven , maar ook in de praktische uitwerking ervan.

VOORBEELD 8: Carbuncle’s Way

Vanaf 2002 gaf City Mine(d) regelmatig presentaties en workshops aan studenten van verschillende universiteiten in Europa. Sommigen waren eerstejaars architectuur die door middel van “stedelijke interventies” meer vertrouwd werden met stad en stedelijkheid; anderen waren professionals die in voortgezette opleidingen urbanisme City Mine(d) als stedelijke praktijk voorgeschoteld kregen. In 2005 leed een nagesprek met een paar studenten urban planning van Westminster University, die zelf al in dienst waren bij de planningsdienst van de Londense gemeente Harringey, tot een soort uitdaging. Plannings-officieren (in Groot-Brittanië zijn overheidsdiensten ook volgens militaire rangen georganiseerd) zijn er meestal zeker van dat ze verantwoordelijk zijn voor een buurt die totaal anders is dan alle buurten die ooit bestudeerd werden. Maar Tottenham was toch nog anders anders, en onze gesprekspartners vroegen zich dan ook luidop af of wat City Mine(d) hen verteld had, zou werken in deze buurt.

Tottenham scoort inderdaad uitzonderlijk hoog op een aantal criteria: volgens Time magazine het gebied met het hoogste etnische diversiteit in heel Europa (er zouden 300 talen gesproken worden), volgens haar eigen volksvertegenwoordiger de kieskring met het hoogste werkloosheidscijfer in London, en bij de hoogste armoedecijfers in Groot-Brittannië. Op geregelde tijdstippen kookten spanning in de buurt over tot straatrellen die internationale pers haalden: voor de Eerste Wereldoorlog, in 1985 beruchte Broadwater Farm riots, in 2011 zouden rellen overslaan naar andere steden in Groot-Brittannië. In deze buurt werd City Mine(d) uitgenodigd voor een wandeling. Toen al enigszins vertrouwd met de buurt ging City Mine(d) graag op de uitnodiging in.

De planningsdienst van de gemeente Harringey, waar Tottenham deel van uitmaakt, werkte op dat moment aan een plan om een aantal publieke plaatsen in de buurt ‘aan te pakken’, waarmee ze bedoelden: her-ontwerpen, her-aanleggen en daardoor terug een plaats geven als ontmoetingsplek. De door de gemeente gekozen plekken inspireerden City Mine(d) weinig. De rondleiding bracht echter wel een plaats aan het licht die de gemeente liever zou vergeten, maar (misschien net daardoor) de City Mine(d) verbeelding op hol deed slaan.

Carbuncle’s Alley was een 500 meter lange passage tussen de achtertuinen van een 200tal woningen. De asfaltweg van amper 6 meter breed was gelegd boven een beek die in 19e eeuw overwelfd was om de lokale bevolking aan het werk te zetten. Helaas was de structuur niet stevig genoeg om verkeer te dragen, en hadden mislukte overheidsinterventies de straat vooral een reputatie voor sluikstorten en drugdealen bezorgd. Ondanks wenkbrauwgefrons van de gemeente was dat waar City Mine(d) zou werken.

Omdat er geen middelen beschikbaar waren, werd er geen ambitieus project uitgerold, maar wel integendeel gekozen voor telkens zeer bescheiden stappen die (eventueel) aanleiding zouden kunnen vormen voor een volgende stap. De stappen zouden de gezamenlijke noemer Carbuncle’s Way meekrijgen. De eerste stap werd genomen in mei 2005: onder een tentje dat de gemeente ter beschikking stelde werd chocomelk geserveerd, en werd aan verwonderde buren gevraagd wat ze wisten van Carbuncle’s Alley. De volgende dagen werd met dezelfde vraag aangebeld aan de 200 huizen waarvan de achtertuin de Alley raakten. Tenslotte werd in een plaatselijk café afgesproken met geïnteresseerde bewoners om te horen hoe zij de Alley zagen. Voor velen was het idee van “initiatief in de publieke ruimte dat niet van de overheid komt” niet vanzelfsprekend. Toch werd een visuele ingreep op de straat gepland en werd er wat geld voor gezocht. Stap 2 was daarom het schilderen van 250 meter lang labyrint op het asfalt van de straat. De inhuldiging bracht opnieuw, en deze keer al meer, bewoners op straat. Samen werd gekozen om een meer ambitieus evenement in en rond de straat op poten te zetten. Met de steun van de Arts Council England mondde dit uit in de Onyx Art Fair, een driedaags evenement met een tentoonstelling door plaatselijke scholen, interventies op de straat door lokale kunstenaars, een marktje van de verschillende sociale en culturele partners, en een openlucht cinema voor 300 toeschouwers op een plek die anderhalf jaar eerder nog als no-go werd bestempeld. Als laatste stap in Carbuncle’s Way werd met het ontwikkelde buurtnetwerk een lessenpakket ontwikkeld voor de 9 tot 12 jarigen van de drie scholen uit de buurt. Doel van de lessen was kinderen vertrouwd maken met hun stedelijke omgeving door middel van drie kunst-vormen: fotografie, grafische kunsten en geluid. Steun van de National Lottery liet toe om gedurende het schooljaar tot mei 2007 intensief samen te werken met een twintigtal leerlingen.

Carbuncle’s Way van mei 2005 tot mei 2007 was het langst lopende project dat City Mine(d) in Londen ondernam. Het zette de vergeten Carbuncle’s Alley op de kaart van bewoners en lokale overheden, en maakte kinderen (en daardoor hun ouders) vertrouwd met de gedeelde ruimte in hun buurt. Bovendien creëerde het een netwerk dat ook na 2007 initiatieven bleef nemen. Er vormde zich namelijk een groep onder de naam ‘Friends of Hartington Park’ die aanspreekpunt werd en zelf initiatieven nam voor de Carbuncle’s omgeving.

Proces-gericht — 5.

“Proces-gericht” maakt een belangrijk deel uit van het antwoord op de vraag waarom stedelijke initiatieven worden ondernomen. De concrete doelstellingen zijn niet financiële winst of politieke macht, maar steeds verschuivende collectief geformuleerde objectieven. Daarbij vormt het formuleren van die objectieven een deel van de interventie, het overlegmodel en het collectieve leerproces. Vaak kan de interventie gezien worden als een parcours van de ene doelstelling naar de andere, en worden tijdens dat parcours dingen bijgeleerd of ontdekt. Niet dat stedelijke interventies geen concreet doel mogen hebben; de mogelijkheid moet echter ten allen tijde bestaan om dat doel te herformuleren, bij te stellen of zelfs te veranderen.

VOORBEELD 9: EnerGent

Voor sommige projecten zou enige kennis terzake bij aanvang nefast zijn. Dat zou immers betekenen dat de initiatiefnemers weten waaraan ze beginnen, en vaak zouden ze daaruit concluderen dat ze beter helemaal niet van start gaan. Minder voorkennis betekent dat een wild idee als een sneeuwbal kan aandikken, maar evenzeer als een lawine een onstuitbare snelheid ontwikkelen. En leiden tot waar het initiële idee nooit geraakt zou zijn. Een goed voorbeeld daarvan is het idee van een paar Buren van de Abdij in Gent om hun eigen windmolen te bouwen. Ze zouden er mee in hun eigen energie voorzien, en daarnaast ook bewustzijn creëren rond hernieuwbare energie.

De Buren van de Abdij zijn een honderveertigtal bewoners van de Machariuswijk die mekaar in 2007 al hadden gevonden. Ze kwamen samen om de tuin en de ruines van de historische Sint-Baafsabdij op zondag toegankelijk te maken voor buren, Gentenaars en andere toevallige bezoekers. Ze organiseerden concerten, gingen bijen kweken, daarna ook champignions en kruiden. Sinds 2012 houden ze op vrijdag en zondag ook de herberg Macharius open in het poortgebouw van de voormalige slachthuizen dat nu een van de toegangen vormt van de Abdij-site.

Binnen die groep ontstond het idee van een eigen windmolen. Al gauw werd duidelijk dat de bouw van windmolens strikt gereglementeerd is, en dat de energie-markt al aardig verkaveld is. Het bleek anderzijds ook dat de gemeente hernieuwbare energie erg belangrijk vond in haar bestuursakkoord, en dat de provincie Oost-Vlaanderen 20% participatie van burgers in gemeentebesturen wou in de bouw en exploitatie van windmolens. De Buren, waarvan een honderdtal zich inschreven voor het hernieuwbare energie-verhaal, kozen ervoor om in eerste fase politieke acties te voeren die ook hun nieuwe naam EnerGent, bekendheid zou kunnen geven bij een bredere achterban in heel Gent.

Er werd een campagne opgezet om 50% in plaats van 20% burger-participatie in de hernieuwbare energie-markt te eisen. Op korte tijd werden in een petitie 5.500 handtekeningen verzameld. Al was dit onvoldoende om de wetgeving te beïnvloeden, het bracht de buren wel in contact met sociale, culturele en milieu-bewegingen in Gent, met vakbonden, en om zich te tonen tegenover gemeente- en provincie-bestuur. Een tweede actie volgde: de levende windmolen. Een hondertal deelnemers beeldden op het grasveld van de abdij een windmolen uit, met basis en draaiende wieken. Het resultaat sprak zo tot de verbeelding dat geestesverwanten van Friends of the Earth in Brussel, Spanje en Limburg het initiatief herhaalden.

Daarna legde de vereniging Energent zich toe op het oprichten van een coöperatieve vennootschap. Om een speler te worden op het veld van de hernieuwbare energie-producenten, maar ook om een zekere graad van onafhankelijkheid te houden tegenover de verschillende overheden, wordt een aandelenstructuur uitgewerkt. In december 2013 wordt op een officiële startvergadering in de schouwburg in Gent de co-operatieve gesticht. Er is dan al 10.000 Euro aan startkapitaal opgehaald, en er zijn akkoorden met de Gemeente en de Provincie over sensibiliseringscampagnes, maar ook over het voorzien van hernieuwbare energie voor overheidsgebouwen, en dat niet alleen door middel van wind-energie, maar ook met zonnepanelen.

Om haar initieel doel toch te realiseren, is de co-operatieve EnerGent ook in de running voor het bouwen van een eigen windmolen. Op een eiland in de verkeersinfrastructuur rond Gent, heeft de provincie de bouw voorzien van vijf windmolens. Het recht om die windmolens te mogen bouwen is nog niet toegekend, en Energent maakt zich sterk dat het als coöperatieve het best geplaatst is om de voorziene burgerparticipatie te realiseren. Het laat zich niet afschrikken door de moeilijkheden waarin andere energie-co-operatieves terecht zijn gekomen, omdat het zich ver houdt van financiële spitstechnologie en omdat aandeelhouders die om sociale redenen ingetekend hebben het laatste woord hebben. Omdat de bestuurlijke molens langzaam malen, houdt EnerGent zich ondertussen voornamelijk bezig met energiebesparende initiatieven en met zonne-energie.

Zoals reeds aangehaald zijn volgens ons deze vijf eigenschappen niet bedoeld als definiërende kenmerken waarnaar gezocht moet worden om een initiatief te classificeren of te beoordelen. We willen niet aantonen dat initiatieven die deze eigenschappen hebben meer waardevol zijn dan diegene die er eentje of meerdere missen. We stellen enkel vast dat dit kwaliteiten zijn die het werk een eigen plaats geven binnen de stedelijke ontwikkeling.

Te vaak worden initiatieven afgewogen op de aangename sfeer die ze uitstralen, de hoeveelheden of doelgroepen van deelnemers die ze weten te betrekken of pers die ze weten te behalen. Wij stellen echter vast dat initiatieven met een beperkt aantal deelnemers of die slechts een zeer beperkte visibiliteit behalen toch van zeer groot belang kunnen zijn voor de stad. Als ze van onder uit komen, open, divers, zuinig en proces-gericht zijn, slagen ze er vaak in onderwerpen aan te snijden die voor meer geïnstitutionaliseerde initiatieven niet bereikbaar zijn. Vandaar dat het exploratieve karakter van deze initiatieven, die komt met hun openheid en proces-gerichtheid, niet als een gebrek gezien hoeft te worden, maar een belangrijke kwaliteit is.

In het verleden probeerde City Mine(d) al aandacht te vragen voor het belang van sociale relaties in stedenbouwkundige ontwikkeling. Het werd hierbij geïnspireerd door vaststellingen in de humanitaire hulp. Na de aardbeving in Haïti, maar ook in andere gevallen, was te merken hoe donateurs (zowel privaat als publiek) vrij snel bereid werden gevonden om scholen te bouwen, maar het betalen van de leerkrachten op langere termijn bleek heel wat minder vanzelfsprekend. Het tastbare, fotografeerbare onmiddellijke resultaat loonde de moeite, de minder zichtbare menselijke ontwikkeling lag moeilijker. Dit deed de vraag rijzen of een stedenbouw van “starchitecture” met “landmark developments” niet in dezelfde richting evolueerde. Was er in een agenda die gedomineerd werd door de heraanleg van parken en pleinen, het verfraaien van de openbare ruimte en het oplossen van verkeersknopen nog plaats voor investering in sociale relaties ? Op gevaar af van naast “gentrificatie” en “endogene groei” het debat nog meer te mystificeren, gebruikte City Mine(d) de term Soft Structures. Soft Structures zijn de manier waarop mensen zich organiseren, de strategieën die ze ontwikkelen om voor zichzelf en mekaar op te komen, en de sociale relaties en netwerken die ze uitbouwen. Het zijn deze Soft Structures die het delen van beschikbare middelen toelaten — de organisatie van solidariteit- zowel als de uitwisseling van goederen, diensten en vaardigheden — economische ontwikkeling. Bij afwezigheid van deze sociale relaties dreigen uitwisselen en delen plaats te vinden op basis van relaties die gevoelig zijn voor uitbuiting. Het was bedoeld om als tegengewicht tegen een hardware stedenbouw de mens en zijn relaties terug als standaard te nemen waaraan het succes van een ontwikkeling afgemeten kan worden. In welke mate overleven de ‘Soft Structures’ een voorgestelde ontwikkeling?

In dezelfde sfeer spreekt academisch onderzoek wel eens over sociaal kapitaal en sociale innovatie. Hoewel dit door sommige initiatiefnemers van de hand gedaan wordt als het instrumentaliseren van maatschappelijke en culturele praktijken, vormt het een houvast in het zoeken naar wat initiatiefnemers en overheden of markt voor mekaar kunnen betekenen. Uit het voor-onderzoek voor het KCVS bleek immers dat niet alle initiatieven op zoek zijn naar een relatie met de overheid, en dat het in sommige gevallen zelfs meer zinvol is om als overheid van op afstand toe te kijken. Door de initiatieven in te schrijven in een overheids-agenda, en er daarom verwachtingen op te plakken, zouden deze initiatieven wel eens een of meerdere van de bovenvermelde eigenschappen kunnen verliezen. Dit wordt ook wel eens omschreven als het doodknuffelen van stedelijke initiatieven.

Er zijn echter heel wat initiatieven voor wie een interactie met overheid of markt wel van belang zijn. Voor hen kunnen begrippen als 1. sociaal kapitaal en 2. sociale innovatie richtinggevend zijn.

Sociaal Kapitaal - 1.

Sociaal kapitaal kan omschreven worden als de sociale relaties die individuen opbouwen en de verwachtingen van iets voor mekaar te doen door die relaties. In steden waar bewoners van verschillende achtergronden samenkomen, en familiebanden, gedeelde religie of oorsprong niet volstaan om sociaal kapitaal op te bouwen, zijn andere activiteiten nodig. Vaak wordt deze rol overgenomen door de beroepssfeer, wat het voor stedelingen zonder professionele activiteit moeilijk maakt om relaties op te bouwen. Het open en diverse karakter van stedelijke initiatieven laat hen toe om plaatsen te zijn waar deze relaties zich kunnen ontwikkelen. Politiek gezien kan sociaal kapitaal de kloof tussen burger en beleid verkleinen. Naar aanleiding van een stedelijke interventie kunnen beleidsmakers en burgers mekaar vinden, kan er vertrouwen opgebouwd worden, en kan de burger zich meer vertegenwoordigd weten en zijn stem doen gelden dan anders het geval zou zijn. Ook economisch kan sociaal kapitaal waardevol zijn. Het kan individuen toegang geven tot informatie en relaties die kunnen leiden tot economische opportuniteiten, zij het als werknemer, werkgever of ondernemer.

Vandaar dat het sociaal kapitaal dat stedelijke initiatieven genereren voor overheid en markt interessant kunnen zijn.

VOORBEELD 10: Villa Catharina

Ten westen van het centrum van Rotterdam ligt de deelgemeente Delfshaven, met daarin de wijk Spangen. De wijk werd vanaf 1917 gebouwd rond het gloednieuwe en eerste Nederlandse voetbalstadion van voetbalclub Sparta. De Gemeentelijke Woningdienst kon destijds gerenommeerde kunstenaars en architecten overtuigen om woningbouwprojecten te realiseren voor de nieuw geplande arbeiderswijk. Als gevolg zijn enkele wooncomplexen, zoals het Justus Van Effencomplex of het werk van J.J.P. Oud nog steeds wereldberoemd. Tot de jaren ’60 huisvestte de wijk voornamelijk een goede middenklasse van onderwijzers, ambtenaren en geschoolde arbeiders. Twintig jaar later leed de sociale mobiliteit ertoe dat die bewoners de wijk verlieten voor ruimere woningen in de buitenwijken, en hun plaats werd ingenomen door minder kapitaalkrachtige Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse nieuwkomers. Een eerste poging tot stadsvernieuwing in de jaren ’80 bracht geen zoden aan de dijk, en Spangen verarmde nog meer en werd dermate synoniem met al het morele verderf geassocieerd met grootstad, dat er een politie-serie op de nationale televisie naar werd genoemd. Er werd besloten om de wijk voor een groot deel leeg te laten lopen, en dan klaar te maken van een nieuwe bevolking. De herstructurering verliep echter traag, waardoor er vanaf het jaar 2000 een lange periode was waarop grote delen van de wijk leeg stonden.

De huizen die op de wachtlijst stonden om gesloopt te worden, slooppanden genoemd in het jargon, waren weliswaar dichtgetimmerd, maar bleken mits enige creativiteit en escaladisme toch niet ontoegankelijk te zijn. En zelfs gratis. In een land met een rijke huizenkrakers-traditie bood dit verschillende kunstenaars en vrijbuiters een unieke kans om woon- en kunstenaarscollectieven op te starten. Een daarvan was Villa Catharine aan de Catharina Beersmansstraat in de Tussendijken, een deel van Spangen dat de verantwoordelijke wooncorporatie klaarstoomde voor de sloop. De eerste bewoners betrokken de Villa in 2001, en tegen 2002 bestond het collectief uit een aantal min of meer vaste leden, Karin, Wonne, Sjoerd, Tomas, Ben en Stefan, en daarnaast wat zij bestempelden als Villa Regulars, waaronder enkele leden van City Mine(d).

Villa Catherina hield zich niet verborgen achter de dichtgetimmerde ramen van het pand. Wel integendeel. Ze manifesteerden zich met verschillende publieke evenementen op de verlaten straten van Bospolder-Tussendijken. Zo lieten ze op 15 juni 2002 een fanfare door de volledig lege Puntstraat marcheren. De film die video-kunstenaar Stefan Demming er van maakte brengt de desolaatheid van de lege buurt over op een manier die geen beschrijving kan overtreffen. Vanaf mei deden lokale kunstenaars Karin Keijzer en Hieke Pars een buurtmapping, Ze brachten de randgebieden van de wijk Bospolder-Tussendijken in kaart, reageerden op actuele ontwikkelingen zoals ingrijpende sloop-, en nieuwbouw projecten en met bewoners en instellingen uit de wijk voerden ze kunst- en buurtactiviteiten uit, zoals een geluidsmobiel die natuurgeluiden in de lege buurt speelde, een grasmat, samenwerkingen met de laatste eethuizen uit de buurt en Turkse bruiloftsstoet. Het grootste evenement werd georganisserd op 6 juli 2002, onder de noemer Instant_Park, afscheid van de Puntstraat. Bij wijze van afscheid van de Puntstraat en de woon- en werkruimte van Villa Catharina werd een ‘sociaal-cultureel project’ voorgesteld. Er werd officieel vergunning gevraagd de sowieso al lege starten verkeers-vrij te maken, en een grasmat die de hele straat bedekte werd uitgerold. Op die grasmat werden picnics, optredens, filmprojecties en kinder-ateliers georganiseerd, en de “Belgische spektakelgroep Timecircus” (aldus de persmededeling) werd overgehaald naar Nederland. Het succes maakte Villa Catharina bekend tot bij de culturele instellingen van het Rotterdamse stadscentrum.

Daarmee was het verhaal van Villa Catharina niet verteld. In het voorjaar van 2003 werd een Buurtontwikkelingsmaatschappij aangesteld voor Spangen. Bedoeling was de wijk op te waarderen door lokaal ondernemerschap te ondersteunen. Cultuur kon daarin zeker nuttig zijn, en zo werd City Mine(d), na een succesvolle campagne voor Brussel 2000 Europese Cultuurhoofdstad, voorgedragen als culturele actor een inbreng te doen. Van bij aanvang was duidelijk dat volgens City Mine(d) de meest zinnige culturele ingreep in de buurt zou bestaan uit het in stand houden van Villa Catharina, zij het op het een ander adres. City Mine(d)’s cultureel-architecturaal verantwoorde opdrachtgevers hadden het zich enigszins anders voorgesteld, en trokken dan ook prompt de opdracht terug. De actieve Villa-bewoners hadden ondertussen al een nieuw ‘tijdelijk’ pand op het oog (lees: ingenomen), kwestie was dus enkel de ontwikkelingsmaatschappij hen te laten erkennen als waardevol voor de buurt. Dat gebeurde, en daarmee had Villa Catharina een officieel nieuw adres, en behield Spangen voor een tijdje een lokaal verankerd woon- en kunstenaarscollectief.

Sociale Innovatie - 2.

Sociale innovatie zijn strategieën, concepten, ideeën en organisatie-vormen die een sociale nood vervullen. Volgens sommige academici heeft een samenleving naast technologische innovatie ook nood aan het constant vernieuwen van sociale relaties, zowel binnen de economie als wat betreft het bestuur van de stad. Dit vernieuwen gebeurt op een formele manier binnen onderzoekscentra en bedrijven, maar evenzeer op een informele manier en buigt zich over domeinen gaande van werkomstandigheden en onderwijs tot stadsontwikkeling en gezondheidszorg. Vaak wordt voor de informele ontwikkeling door overheden naar stedelijke initiatieven gekeken. Ze slagen er immers in om publieken te bereiken die aan meer traditionele methodes ontsnappen. Dit is inderdaad een directe manier waarop stedelijke initiatieven een relatie kunnen vormen met overheden: ze kunnen de stem vertolken van een niet-vertegenwoordigde groep. Op zich vormen ze echter ook experimenten in organisatie en besluitvorming, die lessen kan bevatten voor de stedelijke democratie. Het doorgeven van vaardigheden geeft aanleiding tot nieuwe vormen van educatie. Tenslotte groeien de initiatieven niet zelden uit de sociale ondernemingen. Sociale innovatie blijkt daarom een zeer waardevol concept in de zoektocht naar de overlap tussen beleid en stedelijke initiatieven enerzijds, en markt en stedelijke overheden anderzijds.

VOORBEELD 11: Limite Limite

In de Brabantwijk, gelegen achter het Brusselse Noordstation, woonden eind jaren ’90 zo’n 4.500 mensen, drie kwart van Turkse of Marrokaanse afkomst, twee derde jonger dan 30 jaar, een kwart werkloos en met een over het algemeen lage scholingsgraad. Groenzones waren er nauwelijks, en 3.500 gebruikers van de verschillende hogescholen en kantoren in de buurt deelden de straten met bewoners. De verbinding tussen het lager gelegen deel van de wijk waar zich het station, de concentratie van raamprostitutie en de internationaal gerenommeerde etnische winkelstraat bevonden, en het hoger gelegen deel van hogescholen en kantoren, werd gevormd door de Dupont-straat, pendelaars-parcours bij uitstek. De Dupont-straat droeg de zwaarste littekens van een cynische gemeentelijke stedenbouw-strategie: onder Burgemeester Nols in de jaren ’70 was namelijk geprobeerd om kwaliteit en daardoor ook prijs van het vastgoed in de Dupont-straat te doen dalen, door het verwerven en slopen van de hoekhuizen van woonblokken. In de erg steile straat zouden met tijd en regen de aanpalende woningen ook wel onbewoonbaar worden en dus goedkoper te verwerven. Wat de sinistere planners onderschat hadden, was dat hoe laag de kwaliteit ook daalt, er zijn altijd mensen voor wie dit de enige woonst is die ze zich kunnen veroorloven. En dus was twintig jaar later de Brabantwijk nog steeds een van de meest dichtbevolkte buurten van Brussel, en waren de lege hoeken verworden tot ware sluikstorten. Een oplossing voor die sluikstorten zou dus een sterk signaal zijn van een buurt in verandering.

Het was met die vraag dat de bewoners van de Brabantwijk zich in 1998 richtten tot City Mine(d). Productie-huis voor en door de stad City Mine(d) had toen op andere plekken in Brussel samen met bewoners braakliggende terreinen omgevormd tot publieke ruimte voor de buurt, door middel van wat het “stedelijke interventies” noemde. De energie zou geconcentreerd worden op het middelste van de drie hoeken in de Dupont-straat, maar al gauw bleek dat het met zijn 6 bij 7 meter veel te klein was om er een park van te maken. Het probleem van sluikstorten zou niet op te lossen zijn door gras te zaaien op het braakland. Versterking van de sociale netwerken, en verandering van de beeldvorming was waar de buurt meer nood aan had. Om die twee doelstellingen na te streven werd een artistiek project voor de lege hoek op poten gezet, maar tegelijk werd een netwerk ontwikkeld dat zich achter deze interventie schaarde. Architect Chris Rossaert stelde een negen meter hoge toren voor die de raamprostitutie zou verdringen als beeld van de buurt, en beroepsopleiding APAJ werd bereid gevonden om de werf te gebruiken als opleidingsproject voor een aantal bouwvakkers in opleiding. Vanuit deze kern werden andere buurt-actoren betrokken, zoals de hogescholen onder aanvoeren van Vlekho, de lokale handelaars en hun beroepsvereniging, de JP Morgan bank die hun Europese zetel in de buurt hadden, en later ook overheden van gemeentelijk en regionaal niveau.

Bij het voorbereiden van de werken bleek de grond nog steeds toe te behoren aan een wazige para-communale structuur, wat maakte dat eigendomsrecht en toelatingen gedurende het hele project erg vaag bleven. Wel werd een stedenbouwkundige toelating verkregen voor het bouwen van een toren die 6 maanden zou mogen blijven staan. In het voorjaar van 1999 werden de werken aangevat met als plan om de structuur in mei klaar te hebben. Omdat echter gekozen werd om de realisatie van de toren en het ontwikkelen van het netwerk van mekaar te laten afhangen, werd herhaaldelijk vertraging opgelopen. Uiteindelijk werd de toren pas in oktober 1999 ingehuldigd als ontmoetingsplaats en tentoonstellingsruimte. De transparante pvc wanden maakten immers dat de plek van op straat zichtbaar bleef, en de verlichting die gelinkt was aan de straatverlichting ging automatisch iedere avond aan.

Vlak na de feestelijke opening van de toren werd het ontwikkelde netwerk geformaliseerd in een vereniging Limite Limite, waarvan de directeur van de JP Morganbank ten persoonlijke titel het voorzitterschap waarnam, en verschillende private en publieke partners vertegenwoordigd waren. Het samenwerkingsverband bleef nog tot 2008 actief in de buurt.

De “van onder uit ontwikkelde groeicoalitie” wekte later ook aandacht uit academische en politieke hoek. Waar aanvankelijk vooral architectuur-tijdschriften foto’s van de toren publiceerden, werd in een tweede fase ook de alternatieve vorm van stads-ontwikkeling geapprecieerd. In 2002 werden toren en samenwerkingsverband Limite Limite bekroond met de ‘Thuis in de Stad’-prijs van de Vlaamse regering voor innovatieve projecten die de levenskwaliteit in de stad helpen verbeteren.

Door de buurt positief in de aandacht te brengen en samenwerkingsverbanden met verschillende overheden te organiseren, was Limite Limite er ook in geslaagd om de buurt toe te voegen aan aanpalende zones die wel erkend waren voor Europese subsidie. Voor bewoners betekende dit toegang tot middelen voor de renovatie van hun goed, voor de gemeente vergemakkelijkte dit investering in de openbare ruimte. Als deel van deze renovatie moest in 2004 de tijdelijke constructie plaats maken voor studentenwoningen. De houten structuur werd door City Mine(d) en APAJ gedemonteerd en naar Belfast verscheept, waar ze er samen met architect Chris Rossaert een nieuwe ontmoetingsruimte mee ontwikkelden.

De relatie van stedelijke initiatieven met autoriteiten is ambigu: enerzijds zetten ze zich af tegen overheid en markt, anderzijds hebben ze een interne economie die maakt dat ze niet zonder beide kunnen. Sommige stellen hun kwaliteiten ter beschikking van overheden in ruil voor financiële steun of erkenning, anderen vinden als sociale onderneming klanten op de markt of worden gesponsord. Bovendien vergen de doelstellingen van sommige stedelijke initiatieven ook de interventie van een overheid: om een ongelijkheid te corrigeren of een groep te emanciperen. Het spreekt voor zich dat dit een dialoog met de overheid vergt. In sommige gevallen heeft dit geleid tot een half-doorlaatbare wand tussen overheid en initiatief. Er bestaan ambtenaren die als prive-persoon initiatieven nemen, net zoals er initiatiefnemers zijn die in beleidsorganen of adviesraden taken op zich nemen.

VOORBEELD 12: Solidair wonen

Sint-Niklaas, een stad van 73.000 inwoners, heeft met de grootsteden van het land gemeen dat het ook met een nijpende woningnood kampt. En dat het een aankomstplaats is van mensen op de vlucht voor een noodtoestand in hun thuisland. Het eerste zorgde er voor dat de huizenprijzen de pan uit swingen. Voor sociaal kwetsbare groepen, waaronder vluchtelingen, betekende dat vaak dat ze zich geen onderkomen kunnen veroorloven en op straat belanden. Om de nieuwkomers op te vangen was er de vereniging Vluchtelingen Ondersteuning Sint-Niklaas (VLOS). VLOS is een ongebonden vzw waarin vrijwilligers vluchtelingen, vaak zonder papieren, bijstaan met opvang, materiële hulp en administratieve begeleiding. Maar de stijgende vastgoedprijzen zorgden ervoor dat de opvang hen boven het hoofd groeide en het huren van onderdak financieel niet haalbaar bleef.

Op zoek naar een creatieve oplossing startten een aantal burgers het initiatief ’Solidair Wonen’. De eenvoud van het idee, hulpbehoevenden de mogelijkheden bieden om mekaar te helpen en om middelen met elkaar te delen, stond in schril contrast met de administratieve complexiteit waar ze mee in aanraking kwamen. Mensen die onder hetzelfde dak wonen, worden beschouwd als wettelijk samenwonend en riskeren bijgevolg iedere vorm van overheidshulp en uitkering te verliezen. Daarnaast zijn er ook nog politieke gevoeligheden. Strengere wooncodes maakten dat de openbare welzijnsdiensten hun eigen woonpatrimonium niet langer konden gebruiken, en bejaarden en kansarmen, zij het met financiële steun, op de reguliere markt terecht kwamen en daar vraag en dus prijs enkel aanwakkerden. Om dan nog maar te zwijgen over het beperkte electoraal gewicht, en ronduit onpopulaire thema, van vluchtelingen en mensen zonder papieren. Een ambitieus politicus staat liever bekend om de harde hand waarmee hij optreedt tegen mensen op zoek naar asiel, dan betrapt te worden op het hen verlenen van een helpende hand. Met als logica dat het helpen van hulpbehoevenden enkel meer hulpbehoevenden zal aantrekken.

De initiatiefnemers slaagden er in om steun te verkrijgen van de Nationale Loterij en de Koning Boudewijnstichting. Dit gaf hen in 2011 de mogelijkheid om 3 huizen te kopen en in te richten, vanaf dan zorgen bewoners zelf met het inkomen of leefloon waarover ze beschikken voor de dagelijkse kosten. De woningen bieden al vrij snel een onderkomen aan 14 personen, vluchtelingen die geregulariseerd zijn of wachten op regularisatie, maar ook daklozen en Sint-Niklasenaars die door de mazen van het sociale vangnet dreigen te vallen.

Het initiatief krijgt erkenning van de nationale overheid, waar de Minister van Grote Steden hen aanhaalt als voorbeeld van de manieren waarop co-housing de sociaal zwakkeren meer zelfredzaam kan maken. En de wet op het sociaal wonen wordt opnieuw onder de loep genomen om ervoor te zorgen dat huizen-delers niet onmiddellijk hun uitkering verliezen. De relatie met de lokale overheden blijft echter erg bitter. Meermaals worden de huizen bezocht om hen te controleren of ze voldoen aan de wooncode, en er wordt gedreigd met uitzetting. Bij initiatiefnemers doet het de vraag rijzen of de politie hen verdenkt van huisjesmelkerij — het te duur verhuren van slechte woningen — of van mensensmokkel. In april 2014 kregen de huizen opnieuw bezoek van politie onder het voorwendsel van de wooncode te controleren, en werden een aantal bewoners (tijdelijk) naar asielcentra gebracht. Er werd echter geen reden gevonden om de woningen te sluiten. Een maand later namen een 500tal Sint-Niklasenaars deel aan een “Bonte stoet der menselijkheid” om de bewoners te ondersteunen. Hoewel het project zich niet-politiek noemt, wijzen ze er door de dienst die ze beiden de bevoegde overheden toch op waar deze tekort schieten, en verdedigen ze de overtuiging dat een meer sociale en solidaire aanpak van de opvangcrisis mogelijk is.

Vanaf 2011 groeide rond het project “Solidair wonen” een breder platform van initiatieven rond solidariteit en duurzaamheid, onder de naam Solied. Solied oraniseert repair-cafés, volkskeukens, boekenruil, gemeenschappelijke tuintjes, lokale ruilsystemen en LETS, en een reeks andere activiteiten die burgers warm kunnen maken voor een transitie naar een ecologisch meer duurzame samenleving.

De praktijken die we hierboven samen hebben gebracht onder de noemer “stedelijke initiatieven” hebben een aantal kenmerken gemeen: ze ontstaan van onder uit, zijn open, divers, zuinig en proces-gericht. Hoewel ze te eclectisch zijn om ze als een veld te definiëren, hebben ze genoeg gemeen in hun relatie met overheid en markt om ze in deze als één groep te beschouwen. Meer specifiek creëren ze kansen om de levenskwaliteit in steden te verbeteren en om de beschikbare middelen effectiever te gebruiken.

VOORBEELD 13: Eggevoort Friche

In november 2010 bracht City Mine(d) honderd mensen uit negentien Europese steden samen rond het wat, waar, waarom en hoe van kleinschalige initiatieven. Het ‘hoofdkwartier’ van de ontmoeting lag in de Brusselse Europawijk. De meeste bezoekers waren vertrouwd met de verschillende beleidsniveaus in hun eigen lokale omgeving — van wijkraad over stadsbestuur tot regionale en nationale overheid — maar in de Europawijk komen de Europese instanties uitzonderlijk ook als lokale speler op het terrein. Voor de genodigden was het een aangename verrassing om in het abstracte ‘Brussel van de instellingen’ geëngageerde mensen te leren kennen die de ontwikkelingen in hun stad in vraag durfden stellen.

Om uitwisseling en discussie tussen de verschillende betrokkenen te vergemakkelijken, werd beroep gedaan op MAP-it. MAP-it is een door de Media, Arts & Design Faculty van de Katholieke Hogeschool Limburg ontwikkelde speldoos voor discussie en ideeën. De doos bevat een scenario met een centrale vraag, opdrachten en een tijdsindeling; een (variabel) grondplan dat de deelnemers zicht geeft op fysieke en sociale context; en stickerbladen met iconen en invulvelden waarmee de deelnemers hun analyses, commentaren en ideeën aanbrengen op het grondplan. De interactieve, aanpasbare spel-onderdelen, het getimede scenario en het visuele karakter van MAP-it zorgen voor een heel eigen en gedeelde taal. Dit maakt dialoog en samenwerking mogelijk tussen mensen met diverse achtergronden of uiteenlopende meningen. Een combinatie van creatieve bezoekers en mensen met lokale kennis namen samen deel aan de eerste MAP-it. Lokale deelnemers (buurtbewoners, Europese ambtenaren, kunstenaars, buurtverenigingen) organiseerden na deze MAP-it Europawijk een tweede sessie om de ideeën concreter te maken en gemeenschappelijke interesses in kaart te brengen.

De verschillende MAP-it sessies brachten een braakliggend terrein (een friche) aan de Maalbeeklaan onder de aandacht. Het terrein lijkt deel uit te maken van het Leopoldspark, maar is er toch van afgescheiden door middel van muren en hekken. Officieel eigendom van de Stad Brussel, ligt het op een complexe knoop van gemeentelijke, gewestelijke, federale en zelfs Europese bevoegdheden. Omwille van die complexiteit lijkt heraanleg van de plek niet voor de nabije toekomst, wat het een interessante locatie maakt voor het ontwikkelen van een dynamiek van onder uit.

Vanaf voorjaar 2011 werd begonnen met een eerste schoonmaak van het terrein, en organiseerde City Mine(d) met enkele buren op woensdagnamiddagen verschillende activiteiten op het terrein: een Polaroïd Salon, de aanleg van een verticale tuin, een Poetry Exchange. Van daaruit ontstond het collectief PUM, naam die staat voor Project of Participatie, Urbain of Urgent, en Maalbeek (de overwelfde rivier die onder het terrein loopt); maar die ook een duidelijke knipoog is naar het Projet Urbain Loi of PUL, het zoveelste stedelijk ontwikkelingsproject dat belooft de woonbuurt te zullen verzoenen met haar functie als thuisbasis van de Europese instellingen. Naar eigen zeggen bestaat het collectief uit mensen gaande van Eurocraat tot indignado en van buurtbewoner tot bezoeker.

Zoals het braakliggend terrein een plek werd waar verschillende individuen en collectieven kunnen experimenteren, op dezelfde manier werd het collectief PUM een losvaste groep die een grote groep actieve burgers toelaat om medestanders te vinden. Het terrein wordt een experimenteerzone rond het thema water: met testopstellingen rond waterpompen, een paviljoen dat regenwater opvangt en probeert geschikt te maken voor menselijke consumptie, de aanleg van een vijver en watertuin, en meer recentelijk plaats voor een maquette die de waterhuishouding in de Maalbeekvallei evoceert. PUM laat de deelnemers toe om op de hoogte te blijven van de ontwikkelingsplannen van het Leopoldspark en de wijdere omgeving, en omdat de groep er in slaagt om hun visie op de stedelijke ontwikkeling van de omgeving in een gestructureerd document te gieten, worden ze uitgenodigd als gesprekspartner in het structureel overleg tussen het Europees Parlement en de federale, gewestelijke en lokale overheden.

De Eggevoort Friche en het collectief PUM oogsten vanuit stedenbouwkundige hoek echter het meest interesse voor de collectieve beheersvorm die het ontwikkelt voor de gedeelde ruimte. Participatieve processen verslikken zich vaak in de vergadertijd die ze van betrokkenen vragen. Deelnemers die niet graag vergaderen of geen tijd kunnen vrijmaken op geplande overlegmomenten, haken daarom vlug af of voelen zich uitgesloten. De combinatie van werk op het terrein dat doeners aantrekt, en de relaties met overheden die meer conceptueel is, maakt dat er plaats is voor allebei. Doorstroming van visies en kennis tussen beiden gebeurd op een informele manier die voornamelijk gebaseerd is op vertrouwen: deelnemers die er op kunnen vertrouwen dat hun stem gehoord zal worden in vergaderingen, en anderzijds op de hoogte gebracht worden van de resultaten van de vergadering, hoeven zelf niet aanwezig te zijn. Dit vormt een leerrijke ervaring voor niet alleen het beheer van gedeelde ruimtes en gemeengoed in steden, maar ook voor een representatieve democratie op zoek naar een nieuwe legitimiteit.

De waarschuwing die professor Billiet in 2013 publiceerde aan het adres van sociale bewegingen, gaat ongewtijfeld ook op voor de stedelijke initiatieven hier beschreven. Namelijk dat ze niet gereduceerd mogen worden (of zichzelf mogen reduceren tot) “dienstverlening, wederzijdse ondersteuning en gezelligheid. Zeker in de huidige dramademocratie — waar politiek niet langer via sociale organisaties, maar wel via de media met kiezers communiceert — hebben sociale bewegingen meer dan ooit de plicht om zelf aan politiek te doen door in het publieke debat een kritische stem te laten horen, door maatschappelijk problemen op de politieke agenda te plaatsen en door gelijkgezinden te mobiliseren. Kortom, het middenveld is politiek, of zal niet zijn.”

In een zelfde geest spreken Dirk Holemans en Jef Peeters over de risico’s van een campagne van “verzoeting”. Het enthousiasme waarmee overheden inzetten op “leuke” projecten die mensen “samenbrengen” genereren mediagenieke artistieke interventies waarop bestuurders zelden ontbreken, maar “door alles op te sporen wat sociale cohesie bevordert en dit te verbinden met het beleid, wordt het spontaan initiatief overgenomen, weggedrukt of gerecupereerd. Alvorens een initiatief van-onder-uit de kans krijgt om zich autonoom te ontwikkelen, iets spontaan en misschien wel tegendraads opborrelt, wordt het gemainstreamd zodat het past in het prettige imago van stadsmarketing en goed bestuur.”

Het zijn waarschuwingen voor zowel initiatiefnemers als beleid. Initiatiefnemers herinnert het aan de kritische rol die ze te spelen hebben. Niet enkel tegenover verkozen beleidsmakers, maar tegenover de verschillende elites die de stad vorm geven: politieke, economische maar ook culturele. Initiatieven lopen evenveel gevaar om ingeschreven te worden in de doelstellingen van het politiek beleid, en om scherpte te verliezen door samen te gaan werken met stedelijke actoren die de markt als hoogste prioriteit hebben, als om gereduceerd te worden tot deel van het programma van een culturele instelling.

Door onbedachtzaam om te springen met de relaties tot stedelijke initiatieven en de gevolgen ervan, riskeert het beleid om actoren eigenschappen op te leggen die ze helemaal niet hebben, verwachtingen te creëren die niet realistisch zijn, en werk dat zijn autonomie in de stad verdient te instrumentaliseren. Holemans en Peeters spreken over wegdrukken en recupereren, maar het voortijdig doodknuffelen van initiatieven die op lange termijn een nog niet te voorzien potentieel hebben, speelt evenzeer een rol. Zonder te veel melding te maken van de rol die deze initiatieven in participatie spelen. Het zou verkeerd zijn om de deelname van stedelingen in de manier waarop de stad vorm krijgt volledig uit te besteden aan stedelijke initiatieven. Zelfs al zouden deze hierin een rol te spelen hebben, het zou een afschuiven van verantwoordelijkheid zijn die stedelijke initiatieven niet mogen aanvaarden.

Als er al een taak is weggelegd voor stedelijke initiatieven, is het waarschijnlijk die van het uitproberen en in vraag stellen. Het uitproberen van andere manieren om (samen) te leven en te werken in de stad, het uitproberen van modellen die sociaal, politiek en ecologisch meer inclusief zijn en het opschalen van de succesvolle voorbeelden van deze experimenten. En het in vraag stellen van hoe de macht zich heeft georganiseerd in de buurt en de stad. Politieke macht, economische macht en culturele macht. Als stedelijke initiatieven al een doel hebben, dan is dat het door elkaar schudden van de macht. Om dan te zien of deze zich op dezelfde manier her-organiseert, of dat er betere manieren mogelijk zijn.

--

--